Annemie Struyf
“Ik vond mijn studentenleven een mooie tijd, maar niet de mooiste”, zegt Annemie Struyf, die tegenwoordig hoge ogen gooit met haar reeks In Godsnaam. “Pas na mijn vijfendertigste is mijn leven echt interessant geworden.”
Nog net binnen het academisch kwartiertje arriveert Annemie Struyf (49) op onze ochtendlijke afspraak, maar ze heeft een goede reden om te laat te komen. “Ik ben nog teruggereden om een fles champagne voor de collega’s. Gisteren (maandag 15 februari – red.) heeft In Godsnaam 1,34 miljoen kijkers gehaald.” Ze glundert. “Als journalist ben je blij als er een debat ontstaat maar uiteindelijk kan je niet zonder kijkcijfers.”
Het is een opsteker voor Struyf, die met haar reportages zo veel controverse uitlokt dat haatmails bijna dagelijkse kost geworden zijn. “Nooit eerder werd ik tegelijk zo de hemel in geprezen en zo gehaat. Dat is heel moeilijk om mee om te gaan, ook voor mijn kinderen. Ik laat ze niet meer alles lezen. Mijn omgeving relativeert de giftige reacties door me te wijzen op de enorme appreciatie van het programma, maar soms vreet het aan mijn energie. En het zal niet verbeteren want er komen nog afleveringen waarvoor sommigen me zullen haten.”
Maar opgeven ligt niet in Struyfs aard. “Als student overwoog ik elk jaar om te stoppen maar ik deed voort omdat ik altijd goede cijfers had. Ik was zo gedisciplineerd en gewetensvol”, zucht ze. “Ik heb me nooit helemaal laten gaan. Ik had pedagogiek gekozen – toen een modieuze richting voor de gedreven, geëngageerde jongeren die we waren – maar het boeide me niet zo. Ik mag dat toch zeggen?”, vraagt ze onzeker. “Ik vond het niet serieus dat veel proffen louter hun eigen doctoraatsonderzoek onderwezen. Vakken uit andere richtingen, zoals sociologie of sociale psychologie, verruimden mijn blik veel meer. Achteraf gezien ben ik blij met de algemene vorming maar had ik toen geweten dat ik journalist zou worden, ik had Germaanse gestudeerd.”
Openbaring
De schittering in haar ogen keert snel terug bij de herinnering aan het kotleven. “Een eigen kamer! Dat vond ik fantastisch! Na jarenlang met mijn twee zussen op één kamer geslapen te hebben, was het zo’n luxe. Ik droom soms nog over die vrijheid. Mijn ouders geloofden dat ik op Camilo Torres streng in het oog werd gehouden, maar dat viel nogal mee”, glimlacht ze. “Ik deelde de gang met Limburgse meisjes, van wie ik het dialect eerst niet verstond. Maar nu zijn het nog altijd goede vriendinnen, die soms langskomen om jenevertjes te drinken. Tijdens je studies ontmoet je geestesgenoten met dezelfde dromen en ambities, en je neemt ze een heel leven mee.”
Haar echtgenoot Luc kent ze nog langer. Ze trouwen snel na Annemies studies en verhuizen weer naar Antwerpen. Maar niet voor lang, want ze krijgt in Leuven een assistentschap bij Historische Pedagogiek aangeboden. Ze wikt opnieuw haar woorden. “Er heerste grote werkloosheid en de job lag in de lijn van mijn verhandeling. Maar na enkele jaren onderzoek naar middelbaar meisjesonderwijs tussen 1890 en 1914 voelde ik me verdorren. De academische taal was niet de mijne, en wie zou mijn werkstuk lezen? Hooguit tien mensen? Ik vind schrijven te intensief om in zo’n beperkte kring gelezen te worden. Ik snakte naar meer variatie en sociaal relevanter werk.”
In 1995, op de studiedienst van een sociale organisatie, groeit het idee voor een boek over palliatieve zorg bij kinderen. “Ik schreef Het kleine sterven op basis van de doorleefde verhalen van palliatief begeleidster Lut Celie. Een jaar lang bezochten we samen terminaal zieke kinderen. Dat was kennis die bleef hangen. Toen ik er voor Humo een reeks artikels van mocht maken en die een ruim publiek vonden, was de openbaring compleet. Dat was het: geïnspireerde verhalen vertellen en nieuwe werelden binnengaan.”
Hope
Struyf is 36 wanneer ze haar journalistieke carrière aftrapt. Ze gaat aan de slag bij Humo en later Weekend Knack, waar ze samen met fotografe Lieve Blancquaert de reportagereeks A la limite maakt. Het intussen geoliede duo maakt zijn opwachting in De Laatste Show en brengt succesvolle boeken uit als A la limite, Insjallah mevrouw en Mijn status is positief. Struyf draait Ladies first en De moeder van mijn dochter, waarin ze op zoek gaat naar de roots van Hope, het Afrikaanse meisje dat ze adopteert. “Ik betreur mijn lange professionele zoektocht niet, want die had zijn nut. In de journalistiek heb ik steeds beter mijn ding gevonden. Het meest trots ben ik nog altijd op Het kleine sterven. Die thematiek duikt regelmatig opnieuw op. Op de rand van leven en dood beleef je de meest intense ervaringen, die me als mens verrijken. Tegen september wil ik een nieuw boek af hebben, en ook dat gaat over afscheid nemen. Het wordt een heel persoonlijk verhaal, maar eerst moet ik In Godsnaam afwerken. Ik moet mezelf verplichten één iets per keer te doen.”
Struyfs gretigheid vermindert niet. “Wie zegt dat de studententijd de mooiste van je leven is, heeft ongelijk. Mijn mooiste jaren beleef ik nu, tussen mijn veertigste en vijftigste. Veertig worden vond ik verschrikkelijk maar mijn leven wordt steeds interessanter en leuker. Je kampt niet meer met de onzekerheden van een twintiger maar hebt nog genoeg energie. Ik doe mijn job zo graag dat ik nog geen enkele ochtend tegen mijn zin ben opgestaan. Ook mijn gezin maakt me heel gelukkig. Ik krijg het beste van twee werelden.”
Ze spreekt heel liefdevol over haar kroost, over Jasper die geografie studeert met een vuur dat ze zelf nooit voelde voor haar studies, over Johanna die via haar studie geschiedenis in de voetsporen van haar moeder hoopt te treden, over Josefien van zeventien die naar taal- en letterkunde lonkt, en over haar twee jongsten: Milan van 12 en Hope van 6. “Hope is een sociaal beest. In een vol huis floreert ze. Het is echt een toffe! Met alle vijf geniet ik elke dag van de zegeningen van het leven. Maar ik besef zeer goed dat het morgen gedaan kan zijn. De kwetsbaarheid van mensen, de vergankelijkheid van de dingen, ze houden me scherp.”
Los van de wereld
Struyfs openheid en positivisme zijn ook haar handelsmerk als journalist. “Ik acteer niet, ik ben mezelf. Maar ik vind het moeilijk om voor de camera kleur te bekennen. Toen de trappistinnen in Brecht me naar mijn persoonlijke, religieuze zoektocht vroegen, wilde ik dat liever voor mezelf houden. Ik ben me erg bewust van de impact van het medium.” In haar geval is die impact niet gering. Een jong islamitisch koppel spant de VRT een proces aan omdat In Godsnaam hen in diskrediet zou hebben gebracht in verband met valse papieren. “Ik zal me verdedigen in de rechtszaal, maar ik kan wel zeggen dat ik recht in mijn schoenen sta. Ik had gehoopt dat de organisatie (Al Minara – red.) meer onder vuur was komen te liggen want die werkt niet koosjer, maar het koppel is de schietschijf geworden. En daar zijn sommigen heel gelukkig om.”
“Dat het religieuze thema leeft, voelde ik, maar ik had nooit gedacht dat het zo zou resoneren. Ik voel me heel verantwoordelijk. Elke dag kijk ik in mijn ziel en vraag me af of ik fouten gemaakt heb. Ik weeg af of ik het vertrouwen niet beschaam van wie zijn hart en ziel blootlegde zonder dat ik zomaar een spreekbuis word of een promotiefilmpje maak. Naar Bali (en goeroe Ratu Bagus – red.) vertrok ik met een open geest maar daar gebeurden dingen die echt niet kunnen. Het is mijn journalistieke plicht dat te vertellen. Ik zou niet willen dat één zieke Vlaming erheen trekt met het idee er te kunnen genezen. Mijn reportages in Afrika en Afghanistan waren zo gemakkelijk op dat vlak. Het bleef op een afstand. Met deze reeks kan ik niet langer iedereen tevreden stellen. Ik, die altijd naar een consensus zocht en die meestal ook vond.”
“Mijn kinderen houden me goed op de grond. Hun kritiek is keihard maar liefdevol. Ik realiseer me ook dat alles tijdelijk is. Hierna ga ik weer schrijven, eenvoudig, alleen in mijn kamertje, ver van alle heisa. Ach, ik recupereer gelukkig snel. En ik tel af naar de paasvakantie. Dan ga ik met mijn man en twee jongsten twee weken naar het Zuid-Franse platteland. Los van de wereld.” Thuis gaat ze drie keer per week lopen, en fietst ze mee in een damesploeg. “Ik zou soms liever in mijn zetel blijven zitten”, lacht ze, “maar elk jaar beklim ik de Mont Ventoux (voor de Sporta-campagne ‘Ventourist-Ventousiast’ – red.) Het maakt mijn hoofd leeg.” Ook haar thuis, in Pellenberg, brengt rust. “Ik heb al heel wat plekken in de wereld gezien maar Leuven blijft voor mij één van de aangenaamste. Grootsteden zijn interessant maar niet zo fijn om kinderen groot te brengen. Hier laat ik mijn dochters met een gerust hart uitgaan. Na een drukke werkdag kom ik graag thuis in ons kleine dorp, en anders zijn Leuven, Antwerpen en Brussel vlakbij. Ik ben een heel contente mens.”