David Grossman
“Ik kan me de luxe van de wanhoop niet veroorloven”
David Grossman (52) is een van de meest succesvolle Israëlische schrijvers en een belangrijke, wijze stem in het debat over het conflict met de Palestijnen. “Het is geen voetbalwedstrijd waarin je voor een van beide teams kiest.” De schrijver klinkt vermoeid, hij is een beproefd man. Voor Campuskrant maakt hij een uitzondering maar hij geeft dezer dagen geen interviews meer. “Ik praat niet in het openbaar over onze persoonlijke tragedie.” Zijn gezin rouwt om Uri, Grossmans twintigjarige zoon die begin augustus sneuvelde tijdens een militaire operatie in Zuid-Libanon, drie dagen nadat Grossman zijn steun voor de oorlog tegen de Hezbollah heeft ingetrokken. Het is midden in de nacht als afgevaardigden van het leger hem het hartverscheurende nieuws komen vertellen. “Mijn liefste Uri, het was een eer om met jou te mogen samenleven. Dank je voor elk ogenblik dat je van ons was”, waren de woorden van zijn vader tijdens de begrafenis (De Standaard, 23 augustus 2006).
Het moet een haast bovenmenselijke kracht vergen, maar de boodschap van Grossman blijft genuanceerd en pacifistisch als altijd. “Ik zeg niet dat ik de laatste maanden niet verleid ben tot haat- of wraakgevoelens. Maar die woekeren in deze regio al meer dan honderd jaar en het heeft ons alleen maar meer bloed en verliezen gekost. Ik blijf sterk geloven in dialoog. Het is te gemakkelijk, bijna beledigend om jezelf te sussen met vooroordelen over de vijand. In plaats van onze toevlucht te nemen tot dat ene formele verhaal dat een land in oorlog zichzelf vertelt, moeten we onszelf confronteren met de gelaagdheid van de situatie en met onze eigen zwakheden. Dat is veel bedreigender. Maar in het korte leven dat ik te leiden heb wil ik mezelf blootstellen aan alle nuances die ik kan vinden.”
Ezels
Schrijven is volgens Grossman één van de beste manieren om het leven vanuit verschillende invalshoeken te bekijken. De auteur van De glimlach van het lam(1983), The Yellow Wind (1987) of Jij bent mijn mes (1998) studeerde filosofie en theater aan de Hebreeuwse universiteit van Jeruzalem. Ondertussen heeft hij een mooi oeuvre van fictie, non-fictie en kinderboeken bij elkaar geschreven. Zijn werk is meermaals bekroond en wereldwijd vertaald, ook in het Arabisch. Als jonge schrijver werd hij gevormd door zijn oudere collega’s Amos Oz en A.B. Jehosjoe’a. “Ik hou ook van Yaakov Shabtai, Bruno Schulz en Virginia Woolf. En Kafka, maar dat zegt wellicht elke auteur. Je hele carrière bestudeer je en leer je van het werk van collega’s.”
Zijn eigen proza wordt geroemd om zijn complexiteit en vernieuwende stijl. Zijn verhalen zijn intiem en gevoelvol. Net als in het leven hoedt Grossman zich voor clichés en toont hij zich een barmhartig observator. “Als ik schrijf, word ik dat kind, die vrouw of oude man waarover ik het heb. Schrijven is een vastberaden poging om de andere, gelijk welke andere, van binnenuit te begrijpen. Dat drijft me. Want ook al zijn we vriendelijk en sociaal, we staan ver van onze medemensen. We zijn bang voor de chaos die in anderen huishoudt. Schrijven is voor mij een manier om de andere te worden en de wereld door zijn ogen te zien.”
In romans als De stem van Tamar (2002), dat zich afspeelt in een wereld van drop-outs, en Haar lichaam weet het (2003), over jaloezie, gaat Grossman taboes en angsten niet uit de weg. “Andere gezichtspunten verrijken me, ook al spreken ze me soms tegen of jagen ze me angst aan. Ik probeer, binnen mijn beperkte mogelijkheden, zo weinig mogelijk vast te roesten in mijn kijk op de dingen.”
Het moment waarop hij voor het eerst de pen ter hand nam, staat de schrijver nog helder voor de geest. “Na mijn legerdienst kwam ik in een onoplosbare situatie terecht die me op geen enkele manier vertrouwd was. Ik werd fysiek naar een tafel geleid, Donkeys kwam er in een gulp uit. Het kortverhaal gaat over een jonge man die, na zijn desertie uit het Amerikaanse leger in Vietnam, in Oostenrijk geen sympathie vindt. Hij sluit dan maar vriendschap met een kudde ezels. Toen leek het vergezocht en irrelevant, nu besef ik hoe essentieel het was dat ik het schreef. Ik beleefde de fysieke sensatie van iemand die zijn plaats gevonden heeft, zoals een puzzelstuk eindelijk zijn plek vindt. Sindsdien heb ik dat gevoel niet meer kunnen opgeven.”
Zoen op de wang
Of hij nu Angst vreet de ziel op (2003) schrijft, een bundel essays over het Midden-Oosten, of zijn roman in wording, over de gewelddadige invasie van de werkelijkheid in de intimiteit van een kleine familie, Grossman vertrekt vanuit zijn eigen ervaringen. “Alles wat ik doe is of wordt autobiografisch. Ik geloof dat we ernaar moeten streven om de ziel die we in deze vreemde loterij van het leven gekregen hebben te verkennen. Ik ben altijd verbaasd dat mensen naar het einde van de wereld reizen maar zo weinig over zichzelf weten. Zie: liefde (1986), mijn werk over de Shoah (Holocaust, red.), heeft me misschien nog het meest geleerd over het menselijke gedrag en de plaats die kunst kan innemen tegenover extreem kwaad en willekeur.”
De strijd van het individu tegen die wreedheid loopt als een rode draad door de boeken van Grossman. “Mijn werk handelt ook over de kracht van kunst om dat individu te redden. En over de kindertijd. Ik wil het leven van kinderen documenteren omdat ze nog niks vanzelfsprekend vinden. Ze weten nog niet hoe ze kunnen doen alsof ze de wereld begrijpen. Die verrast en verraadt hen de hele tijd. Soms verbaast het me hoe makkelijk ik naar mijn eigen jeugd kan terugkeren en hoeveel voldoening me dat geeft. Het kind dat ik was, redt me soms uit een wanhopige situatie. Ik wil niet cynisch worden, dat is het einde. Zoveel volwassenen hebben het kind in zich bevroren, daar ben ik bang voor. Dan verlies je de belangrijkste drijfveren in het leven: nieuwsgierigheid en passie. Die zijn nodig om de wereld, dat grote mysterie, te ontcijferen, een voortdurende, zware taak voor een kind.” In zijn vele jeugdromans, zoals Het zigzagkind (1994), idealiseert Grossman kinderen dan ook niet. “Ze zijn niet alleen vrolijk en zorgeloos, ze kampen met primaire angsten en nachtmerries. Die trekken me aan want ze leggen de essentie van de mens bloot.”
Kleuters, voor wie Grossman zo’n dertien boeken gemaakt heeft, behandelt hij zachter. “Zij moeten beschermd worden; ik schrijf dan als vader. Ik hou er rekening mee dat kinderen in de schemer worden voorgelezen, net voor ze naar bed gaan. Ze voelen de dreiging van de nacht met zijn schaduwen en eenzaamheid. Mijn verhalen zijn als een zoen op hun wang. Ik kan niet zeggen dat ik even omzichtig ben in mijn boeken voor volwassenen.”
Aan de rand van de afgrond
De jonge David gaat al vroeg op ontdekking. Als tienjarige werkt hij als correspondent voor jeugduitzendingen op de Israëlische radio. Hij lacht bij de herinnering. “Ik heb altijd willen creëren zonder te weten waar het me zou brengen. Mijn leerkrachten zeggen altijd geweten te hebben dat ik schrijver zou worden.” Toch blijft hij lange tijd bij de radio aan de slag. Hij laat altijd duidelijk zijn stem horen, ook als dat betekent dat hij in 1988 om politieke redenen ontslagen wordt als presentator van het ochtendnieuws. “Ondertussen is er meer openheid; de verschillende stemmen vinden altijd een manier om gehoord te worden. Ik beschouw het niet als een privilege maar als een plicht om te zeggen wat ik denk.” Zelfs doodsbedreigingen stoppen zijn pleidooien niet. “Het zijn lafaards die mensen bedreigen omdat die hun mening niet delen. Ach, je vindt ze overal, ik neem het niet erg serieus.”
Grossman betreurt het dat zijn Palestijnse collega’s hun actieve dialoog met hem op een laag pitje gezet hebben. “Jammer genoeg moeten we het stellen met brieven en telefoongesprekken; we ontmoeten elkaar nog maar zelden. Het is niet alleen praktisch moeilijk, mijn Palestijnse collega’s wilden het ook niet meer omdat het hen niet populair maakte bij hun lezers. Dat begrijp ik, maar een schrijver moet die aarzelingen overwinnen. Zijn rol is om het bewustzijn en de ideologie van zijn volk te vormen. Als ik hoor hoe de grote systemen — het leger, de regering, de media — de verwrongen situatie beschrijven, voel ik een fysieke drang om schonere lucht in te ademen, om de dingen bij naam te noemen. De gemanipuleerde versie, die de systemen verspreiden omdat ze er belang bij hebben de situatie in stand te houden, verstikt me.”
Het ergert hem dat ook zijn landgenoten vluchten. “Ik neem de wereld ernstig en persoonlijk. Er heerst een cultuur van escapisme in Israël; veel burgers zoeken hun heil in domme programma’s en de oppervlakkige Amerikaanse cultuur. Maar je kan het je niet permitteren om afgeleid te worden als je aan de rand van de afgrond staat.”
Uit de as herrijzen
Grossmans knappe romans, bevlogen essays en genuanceerde pleidooien worden bekroond met een eredoctoraat. “Het is een ontroerend teken van appreciatie dat ik graag ontvang, zeker van zo’n gerespecteerde universiteit. Ik kijk er naar uit om mijn Belgische vrienden terug te zien.” Hij denkt even na over België. “Ik heb altijd van Georges Simenon gehouden, wiens werk nu vertaald wordt in het Hebreeuws. De vertalingen van Israëlische artikels en boeken kunnen ook Europeanen uitdagen om de complexiteit van de situatie onder ogen te zien. Ons conflict is geen voetbalwedstrijd waarin je voor een van beide teams kiest en de andere ploeg haat.”
Elke dag wijdt Grossman zich van in de vroege ochtend aan zijn taak. “Ja, mijn familie heeft een manier gevonden om met mijn schrijverschap om te gaan. Als je mijn boeken leest, zal je begrijpen hoe mijn rol als vader, zoon en echtgenoot mij ook helpt.” Het wordt even stil aan de andere kant van de lijn.
“Ik heb geleerd dat je elke situatie van verschillende kanten kunt bekijken. Jouw verhaal is niet het enige verhaal, jouw lijden is niet het enige lijden. Ik wens de Palestijnen een soevereine staat naast Israël maar we moeten niet blind zijn voor hun fouten. Premier Ehud Olmert heeft hen voor het eerst sinds lang benaderd om samen te werken. Ze maken in mijn ogen een kapitale fout door daar niet op in te gaan, door Israël te blijven ontkennen.”
Grossmans scherpe oproep tijdens de jaarlijkse herdenkingsplechtigheid voor de vermoorde premier Rabin vorige maand lokte nochtans ook in de Arabische wereld reacties uit. “Een belangrijke Syrische intellectueel roept zijn collega’s op om Israël niet als monolithisch te zien. We zijn niet allemaal rechts en extremistisch. Het is frappant dat wij net zo naar onze buren kijken, zonder te zien dat er mensen zijn die ons de hand willen reiken.” Hij zucht. “Ik zie de trauma’s, ik hoor de stemmen die Israël willen uitroeien maar ik blijf geloven in ons potentieel. Het is een soort optimisme waartoe ik beslist heb. Ik kan me de luxe van de wanhoop niet veroorloven. De Joden hebben de gave om zichzelf uit de as te doen herrijzen. Ik hoop dat het ooit opnieuw zal kunnen en dat we ons leven hier opnieuw kunnen uitbouwen, het leven dat we moeten en verdienen te leven.”