Rem Koolhaas
Een hoekige diamant met een glazen rasterhuid, een ballon die zwelt en krimpt, een lusvormige wolkenkrabber die je geometrisch doet duizelen: de ontwerpen van de Nederlandse architect Rem Koolhaas (62) spreken tot de verbeelding. Maar ook voor zijn blijvende zoeken, zijn vernieuwende ideeën en standaardwerken als Delirious New York en S,M,L,XL kreeg hij het lintje van eredoctor opgespeld. Het heeft erom gespannen of ik Rem Koolhaas zou te spreken krijgen. De hardwerkende architect pendelt tussen zijn bureaus in Rotterdam, New York en Peking en doceert aan Harvard. Hij schrijft, bouwt, denkt en bedenkt, onverdroten, altijd scherp. Als hij op de dag van het patroonsfeest bij me komt zitten, trekt hij toch tijd uit voor een aandachtig gesprek. “Vandaag was een mooie, goed georganiseerde en verrassende dag. Zo heb ik voor het eerst in mijn leven een katholieke mis bijgewoond. Het was erg feestelijk om David Grossman, die me na aan het hart ligt, te leren kennen.” Het eredoctoraat is niet de eerste onderscheiding waarop de wereldberoemde Nederlander prat kan gaan. In 2000 kreeg hij de Pritzker Prize, ’s werelds meest prestigieuze architectuurprijs, en in 2005 de Mies van der Rohe Award van de Europese Unie voor zijn Nederlandse ambassade in Berlijn. “Ik heb een probleem met prijzen ontvangen. Dit eredoctoraat is het eerste waar ik ja tegen gezegd heb, uit sympathie voor België, de K.U.Leuven en uit enthousiasme en respect voor de mensen van haar architectuurdepartement. Ik vind het ook bijzonder leuk dat de prijs uit het Nederlandse taalgebied komt.” Koolhaas, die in 1975 zijn Office for Metropolitan Architecture (OMA) oprichtte, koestert een liefde voor Brussel. “We gaan op dit moment na of we er ons een kantoor kunnen veroorloven. Ik kan me voorstellen dat we in de eerstkomende drie jaar verhuizen. Het heeft ermee te maken dat ik een overtuigd Europeaan ben, ondanks de scepsis die daarover zou kunnen bestaan.” Hij was lange tijd in de running voor een opwaardering van de Brusselse Europawijk. “Er zijn ondertussen belangrijker dingen, zoals hoe de Europese idee wordt aangedragen.” Open wonde De zoon van filmcriticus en schrijver Anton Koolhaas kent een late roeping. Pas op zijn 24ste volgt hij in Londen een architectuuropleiding. “Een deel van de uitleg is dat ik behoor tot een generatie die moeite had met beslissen en die de vrijheid nam om alles te proberen.” Koolhaas werkt een tijd als scenarioschrijver en zegt dat nu nog te doen. Hij beschrijft prompt de ruimte waarin we zitten, een keer met filmogen, een keer als architect. “Als scenarist beschrijf je wat er gebeurt, als architect organiseer je dat ruimtelijk. Het is volledig complementair en ik heb architectuur nooit als een belangrijke verandering in mijn leven gezien. Van wie ik als architect het meest letterlijk geleerd heb, is Mathias Ungers. Verder hebben veel mensen mij, positief of negatief, geïnspireerd om tot dit resultaat te komen.” OMA legt zich in de beginjaren vooral toe op grote wedstrijden, lezingen, discussies en publicaties. Uit die tijd blijven onder meer het Nederlands Danstheater, de Kunsthal Rotterdam en het nooit uitgevoerde ontwerp voor de Sea Trade Terminal in Zeebrugge bij. In de tweede helft van de jaren negentig ontwart het bureau vooral stedelijke knopen en toont het een groeiende interesse voor Azië. Was de eerste, papieren fase een noodzakelijke stap naar bouwen? “Ja, maar nu nog wordt slechts één ontwerp op vier uitgevoerd. Als architect kies je zelden, je wordt gevraagd. De meest actieve methode is om aan prijsvragen deel te nemen maar dat is uitermate onzeker. Je hebt geen idee hoe oneconomisch het vak is en hoe de hele idee van een prijsvraag een soort permanente, onzichtbare uitputtingsslag is.” Hij grijpt naar zijn zij. “Een open wonde van niet gebruikte, tot in het detail uitgewerkte gedachtes waarvan je alleen kunt hopen dat er ideeën bij zaten die ergens anders nog werkbaar zijn. In ons geval werkt dat echter zelden.” Deze rijzige man draagt een dubbelheid in zich. Hij heeft een scherpe blik en staat geen getreuzel of domme vragen toe. Maar hij is ook zacht en zoekt bedachtzaam naar zijn woorden. “Schrijven helpt soms, als een strategie om dingen niet als verloren op te geven. Ik heb een roeping om te articuleren, in woorden met gedachten om te gaan. Ik heb een enorme journalistieke belangstelling waaraan ik wil blijven toegeven.” Koolhaas is een begenadigd theoreticus. Hij wordt een cultfiguur met de publicatie van Delirious New York (1978), een eigenzinnige analyse van de metropool. In 1995 bundelt hij ideeën, essays, architectuur, politiek en popcultuur in S,M,L,XL. Zes jaar later wijdt hij een vuistdik boek, Harvard guide to shopping, aan het fenomeen van shopping en de invloed ervan op het (culturele) leven. Enkele weken geleden trok hij zich terug in de Zwitserse bergen om aan zijn nieuwe boek te werken, dat in de zomer verschijnt. “Ik ben er al tien jaar aan bezig. Het is een documentatie van het fenomeen stad, van hoe, waar en met welke snelheid die verandert.” Centraal staat Lagos, de snel uitdijende hoofdstad van Nigeria. “Wat me daar interesseert, is de combinatie van een grootstad en armoede, en hoe de bewoners ermee weten te leven.” De aan het Centrum voor Afrika-onderzoek verbonden antropoloog Filip De Boeck uitte zijn ongenoegen omdat Koolhaas het echte verhaal van de dertien miljoen inwoners niet zou opnemen in zijn discours. “Niemand weet wat er in het boek staat; vele commentaren zijn voorbarig. En het feit dat wij het als architect bekijken strijkt überhaupt vele mensen tegen de haren in. Alsof we niet het recht hebben, alsof het niet ons domein is.” Cultstatus Ook Koolhaas’ ontwerpen zijn vaak controversieel, altijd inventief. Op dit moment werkt hij onder meer aan een woonproject aan de Gentse Oude Dokken. Hij bouwde eerder de ingenieuze concertzaal Casa da Música in Porto, zette een bibliotheek als een diamant neer in Seattle, ontwierp winkels voor het luxemerk Prada, een ballonpaviljoen in Londen en een villa in Bordeaux op maat van de rolstoelbewoner die via een mobiel platform de verschillende niveaus in het huis kon bereiken. “Mijn verhaal is nog niet voorbij dus ik voel weinig behoefte om stil te staan bij wat de hoogtepunten ervan zijn. Het belangrijkste is dat mijn carrière geen toevallige serie van projecten is maar geïnterpreteerd kan worden als een samenhangende poging met onderlinge verbanden en een soort lineair onderzoek naar bepaalde issues.” Wat hem soms in de weg zit, is zijn cultstatus. “Ik ben blij dat je vraagt naar het belang van de verstaanbaarheid van mijn werk want er is nu zo’n vreselijk woord in omloop: starchitect. Het woord impliceert een genadeloos egoïsme en onverschilligheid tegenover de mensen. Maar je kan geen architect zijn en niet op elk moment geconfronteerd worden met de wensen en methodes van en het gebruik door anderen en daar tot in het kleinste detail op ingaan. De hele mythe is bijna altijd grotesk. Zoals het idee dat ik altijd weg zou zijn. Ik ben altijd op kantoor, een werker onder de werkers. Het is bijzonder lastig en bizar om min of meer dezelfde persoon te blijven en tegelijk met steeds veranderende projecties van anderen om te gaan.” Bij het bouwen probeert Koolhaas vaak van nul te beginnen “maar dat lukt niet altijd. Naarmate er meer verleden ontstaat, wordt het moeilijker — omdat het zo veel is — en soms ook makkelijker — omdat het belangrijk is een soort tegenkracht te ontwikkelen.” Misschien is de rode draad wel de functionaliteit die de vorm bepaalt. “Ja, maar niet zo letterlijk. De nuancering en het begrip van het form follows function-programma blijft wel de hoofdzaak. Maar ook dat gaat moeizaam; die zorgvuldigheid komt als een vervelende pretentie over.” Ik herinner hem aan zijn uitspraak dat architectuur te traag is voor de tijd. “Dat is geen uitspraak maar een constatering. Het heeft zo’n groot effect gehad op ons werk dat we de denktank AMO opgericht hebben om ook in die gevallen van dienst te kunnen zijn waar er geen tijd is voor een ander gebouw. Bijvoorbeeld in het Hermitage Museum in Sint-Petersburg waarvan we de uitbreiding aan het organiseren zijn zonder een interventie van nieuwe architectuur. Ik denk dat de bewaring van en omgang met de geschiedenis steeds essentiëler wordt. Geen gemakkelijke maar een des te fascinerender oefening.” Projecten zonder ego Bij OMA Rotterdam werken ongeveer 140 mensen, de meesten zijn jong. “Het beroep is zo uitputtend dat je jeugdig moet zijn om het vol te houden. We maken gebruik van het verkennende, de durf om risico’s te nemen en het elan dat met een bepaalde leeftijd samenhangt.” Koolhaas denkt nog lang niet aan zijn pensioen en stort zich met passie op nieuwe issues. “Nu verken ik de impact van het feit dat de USA niet langer het dominerende voorbeeld in de wereld is, en wat dat voor Europa, en zijn relatie met Azië kan betekenen.” Daar heeft Koolhaas wellicht zijn grootste project ooit aangevat: het nieuwe hoofdkwartier van de Chinese staatstelevisie (CCTV), dat een oppervlakte van 575.000 vierkante meter zal beslaan en af moet zijn tegen het einde van 2008. Een van de torens is lusvormig en doet aan het gezichtsbedrog van Escher denken. Want alle mythische allures ten spijt is humor een belangrijke component in Koolhaas’ werk. “Ik beschouw onszelf soms als bijzonder komisch. Natuurlijk lachen we en zijn we sarcastisch. Sommige dingen kunnen we alleen met humor overwinnen, maar ook dat veegt het concept van starchitect in één klap uit. De totale uitingsvorm van de architect is onderhevig aan een karikaturale en niet-welmenende reductie. We proberen ertegenin te gaan door af en toe saaie, bijna onzichtbare gebouwen te maken. Naast OMA en AMO richten we een derde poot op: generics, zoals de medicijnen, dat projecten zonder copyright en ego zal distribueren.” Ik frons bij het idee dat Koolhaas en OMA anoniem zouden kunnen werken. “Het is een enorme uitdaging maar let maar op!” http://www.oma.nl